Vandaag :Vandaag jeugd:
Vandaag niets op de jeugdagenda

Training

De Biljartballen

De komende vier keer zal ik nader ingaan op de stukken en hun eigenschappen. Allereerst is de loper aan de beurt.

Jan Markos in ‘Under the Surface’, zoals gezegd mijn voornaamste bron dit seizoen, schrijft dat het niet zo makkelijk is te weten te komen hoe de top-grootmeesters over het spel denken. Hij wijt dat enerzijds aan het feit dat zij hun keuze over wat te doen in een bepaalde stelling intuïtief maken. Het is immers niet eenvoudig om aan iemand anders uit te leggen wat voor jou vanzelfsprekend is. Anderzijds worden de meeste aantekeningen bij schaakpartijen tegenwoordig snel gemaakt en zijn meest gebaseerd op computeranalyses dan heldere uitleg in woorden.

Waar je veel van leert zijn boeken van grootmeesters waarin zij met veel woorden partijen uitleggen. Het klassieke voorbeeld is het toernooiboek van Bronstein over Zürich 1953, een moderner voorbeeld is ‘Positional Decision Making in Chess’ van Gelfand. Daarnaast is zijn aanbeveling om op internet naar de uitleg van topspelers te kijken direct na afloop van een partij.

De inspiratie voor Markos om diepgaander de mogelijkheden, of beter een specifieke onmogelijkheid, van de loper te onderzoeken is een opmerking van Karpov, die zei dat lopers net biljartballen zijn. Ze ketsen terug van de randen van het bord.
Dat betekent dat er voor een loper geen directe weg is van de ene flank naar de andere. Lopers moeten ergens van koers veranderen, ze moeten afbuigen. De dame of een toren kan wel snel van de ene flank naar de andere, een paard doet er iets langer over maar heeft het voordeel dat het over stukken heen kan springen.

Diagram 1.

Bijvoorbeeld: Een witte loper die op h4 staat kan heeft minimaal twee zetten nodig om naar c3 te gaan.
Dat kan op twee manieren: via e1 of via f6. In het eerste geval betekent dat dat de loper door de eigen stelling heen moet, maar dat kan belemmerd worden door een pion op f2, of een toren op e1. De eigen stukken staan in de weg. In het tweede geval moet de loper via de vijandelijke stelling en dan kan f6 gedekt zijn door een pion op g7.
Het kan dus moeilijk zijn om de loper op de juiste plek te krijgen. Daarom is het belangrijk van tevoren goed te weten waar de loper hoort.

 

Vorige keer bespraken we dat een stuk vanuit drie perspectieven bekeken moet worden:
1. Als een actief gebruiksvoorwerp dat we kunnen gebruiken om ons doel te bereiken.
2. Als een kwetsbaar en waardevol wezen dat steeds onze zorg en aandacht nodig heeft.
3. Als een ‘dood stuk hout’ dat anderen in de weg staat.
Als we een verkeerd geposteerde loper op deze criteria bekijken dan is de loper geen actief stuk dat doelgericht gebruikt kan worden, het heeft wel aandacht nodig maar daarvoor kan de tijd ontbreken. Daarom is een loper die op de verkeerde vleugel staat meer te beschouwen als een dood stuk hout.

Partij 1.
In deze partij tussen Pirc en Aljechin offert zwart in de opening een pion voor een voorsprong in ontwikkeling. De witte dame staat kwetsbaar en zal nog een tempo moeten verliezen. Wit moet kiezen hoe hij gaat ontwikkelen.
Het commentaar is van Jan Markos.

 

Partij 2.
Carlsen speelt n dit tweede voorbeeld een strategisch fraaie partij. De rode draad in is het onvermogen van de zwarte loper van de zwarte velden om van de ene kant van het bord naar de andere te komen. Carlsen verhindert dat stelselmatig.
In Chessbase is deze partij becommentarieerd door R. Edouard. De commentaren van Markos, specifiek gericht op het thema, heb ik toegevoegd.

 

Partij 3.
In deze partij is het kwaliteitsoffer op de 32e zet van zwart alleen maar mogelijk omdat de witte loper op g3 geen mogelijkheid heeft om op de damevleugel de verdediging bij te staan.

De drie verschijningsvormen van een stuk

Dit seizoen ga ik in op de stukken, de samenhang en hun relatieve waarde.

Jan Markos in zijn boek ‘Under the Surface’, mijn voornaamste bron voor dit seizoen, heeft een ongebruikelijke, grappige en leerzame manier van kijken naar de stukken. Hij gebruikt aanstekelijke metaforen om zijn argumenten kracht bij te zetten. Van veel van zijn teksten zal ik dan ook dankbaar gebruiken.

Het is tijdens de partij nuttig om je van tijd tot tijd de vraag te stellen of je stukken wel goed staan. En als ze niet goed staan, wat zijn dan de betere velden? Sterkere spelers beantwoorden deze vragen vrijwel onbewust. Een reden temeer om te proberen eerst bewust meer grip te krijgen.

Welke criteria gebruiken we om te beoordelen of een stuk goed staat? Beginners houden volgens Markos doorgaans maar met één aspect rekening, de activiteit: hoe actief staat het stuk, valt het iets aan en controleert het veel velden? Of: hoe is het te gebruiken?

Naast het kijken naar de activiteit zijn er nog twee manieren om naar het stuk te kijken:
1. Het stuk kan niet alleen iets dreigen maar kan ook bedreigd worden, kwetsbaar zijn.
2. Daarnaast kan het stuk hinderlijk zijn door bijvoorbeeld op een veld te staan dat beter door een anders stuk bezet kan worden, een sta-in-de-weg zijn.

Elk stuk op het bord moet daarom vanuit drie perspectieven bekeken worden:
1. Als een actief gebruiksvoorwerp dat we kunnen gebruiken om ons doel te bereiken.
2. Als een kwetsbaar en waardevol wezen dat steeds onze zorg en aandacht nodig heeft.
3. Als een ‘dood stuk hout’ dat anderen in de weg staat.

Elke pion en elk stuk op het bord heeft deze drie kenmerken, maar tijdens een partij niet steeds in dezelfde mate. De koning bijvoorbeeld beschouwen we als een kwetsbaar stuk. In het eindspel echter heeft de koning een actieve rol, in de rokadestelling dekt het drie pionnen.
Pionnen beschouwen we gewoonlijk als ‘stukken hout’ die het skelet van een stelling vormen. In een gesloten stelling kost het veel moeite om de stukken voorbij de pionnen te krijgen. Omdat pionnen weinig mobiel zijn zijn het vaak aanvalsobjecten en zijn ze verbonden met verdedigende stukken. Maar wanneer een vrijpion gaat lopen is het een machtig wapen dat de uitkomst van de partij kan bepalen.

Laten we nader ingaan op de drie verschijningsvormen van een stuk.

1. Een actief gebruiksvoorwerp
Een stuk wordt gebruikt om een doel te bereiken. De directe waarde doet er niet toe, een hoger doel wordt bereikt.

Twee voorbeelden:
Levan Pantsulaia – Judith Polgar
Fragment na de 13e zet van wit:
In een eerder stadium heeft Judith Polgar een kwaliteit geofferd. Het lijkt erop alsof zwart daarvoor niet voldoende compensatie heeft. Op de volgende zet zal wit de koning in veiligheid brengen. Als tegenwicht heeft zwart een pion en het loperpaar. De vraag is of dat genoeg is. Polgar houdt zich niet met deze vraag bezig en speelde het sterke 13. …, Pd3+. De loper die op d3 komt deelt de witte stelling in twee stukken en de witte koning blijft in het midden gevangen.

Sergei Movsesian – Veselin Topalov
Het tweede voorbeeld is ingewikkelder.
Fragment na de 26e zet van zwart:

Wat is de stellingsbeoordeling? Eerder in de partij offerde Topalov een kwaliteit op c3 en kreeg voldoende compensatie. De witte pionnenstructuur op de damevleugel is verbrokkeld, de loper op g3 doet niet mee en zwart heeft het loperpaar. Als hij …, Lc4 zou kunnen spelen gaat ook …, Pxe4 dreigen omdat f2-f3 de koningsstelling ernstig zou verzwakken. Wat is het kwetsbare punt in de zwarte stelling? Wit heeft druk op pion d6 en gaat die druk versterken. Wit brengt het paard van het veilige veld b3 naar veld b7 waar het door vijandelijke stukken wordt omringd. Maar het paard is niet kwetsbaar maar juist een nuttig gebruiksvoorwerp met een actieve rol.
Vanwege de dreiging …, Lc4 moet Movsesian dus snel zijn.
Eerst offert hij het nuttige gebruiksvoorwerp pion c4. Voor de prijs van een luttele dubbelpion kan hij paard b3 activeren. Met wat hulp van zijn tegenstander toont hij aan dat de zwarte koning niet zo veilig staat als het lijkt.

 

2. Een kwetsbaar wezen
De koning beschouwen we als het meest kwetsbare stuk. Het risico dat de koning in het middenspel wordt gevangen telt zwaarder dan wanneer de koning in het eindspel actief aan de strijd deelneemt. Maar niet alleen de koning is een kwetsbaar stuk, alle stukken zijn het. Het verlies van elk van hen kan pijn doen. Ze hebben allemaal adequate bescherming nodig.
Markos gebruikt de volgende metafoor: Als we jong zijn beschouwen we ons lichaam als een gewillig instrument om te doen wat we willen en om er plezier aan te beleven. Het lichaam van een jongere heeft als het goed is geen pijntjes en wordt de noodzaak om er goed voor te zorgen niet gevoeld. Maar door pijn leren we allemaal vroeger of later dat het lichaam kwetsbaar is, ons lot hangt ervan af. We leren ervan dat het noodzakelijk is goed voor ons lichaam te zorgen.
Voor de stukken op het schaakbord geldt hetzelfde, we moeten de stukken beschouwen als levende wezens. Rowson zegt half serieus, half grappend, dat we met onze stukken moeten praten.
Als je met al je stukken ‘praat’, ze allemaal individuele aandacht geeft, helpt het antipositionele zetten te vermijden. Je gaat niet aanvallen voordat je ontwikkeld bent omdat je ‘hoort’ dat je niet ontwikkelde torens ook mee willen doen. Je zet je paard niet buitenspel omdat je zijn stil protest niet kunt ontkennen.

Twee voorbeelden:
Jan Markos – Vladimir Tukmakov
Zelfs de sterkste spelers kunnen fouten maken als ze niet genoeg voor hun stukken zorgen.
Fragment na de 19e zet van wit:

 

We kunnen op vier manieren gebruik maken van een kwetsbaar stuk van de tegenstander.
1. We kunnen het slaan, dan staan we een stuk voor.
2. We kunnen tempi winnen door het aan te vallen.
3. Als we een stuk aanvallen moet de tegenstander daar zijn aandacht op richten en kan hij minder bezig zijn met de rest van het strijdtoneel.
4. De vierde is misschien wel de meest interessante: stukken die een zwakte verdedigen hebben de neiging zelf zwak te worden.

Anatoly Karpov – Lajos Portisch
Het volgende voorbeeld laat goed zien hoe de kwetsbaarheid van meerdere stukken de uitkomst van een partij kan bepalen.
Fragment na de 14e zet van wit:
Stellingsbeoordeling:
* De zwarte stukken staan niet minder actief dan de witte.
* De dame op e5 controleert veel velden.
* Het paard is ontwikkeld in het centrum.
* De lopers lijken ok.

Wit kan echter voordeel krijgen. Wat zijn de problemen van de zwarte stelling?
Het grootste probleem is dat de stukken gemakkelijk aangevallen kunnen worden.
* De dame kan worden verjaagd door pion c3.
* Het paard op c6 dekt de loper op e7 en het belangrijke veld e5 maar het paard kan worden aangevallen door de pion op d4.
* De loper op e7 heeft dekking nodig.
* De loper op f5 kan worden aangevallen.
* De pionnen op b7 en c7 zijn potentiële aanvalsdoelen.
Karpov maakt uitstekend gebruik van de kwetsbaarheid van de zwarte stukken.

 

3. Een stuk hout
De derde verschijningsvorm van een stuk is die van een ‘dood stuk hout’. In die hoedanigheid staat het alleen maar in de weg.
De ‘dode stukken hout’ zijn meestal pionnen omdat ze het minst beweeglijk zijn. Daarom worden ze vaak geofferd. Maar in het volgende voorbeeld wil wit een pion uit de weg hebben maar offert daarvoor een ander stuk.

Voorbeeld:
Nikola Mitkov – Sergey Rublevsky
Fragment na de 14e zet van zwart:
De zwarte loper van de zwarte velden staat, gedekt door pion d6, op het actieve veld c5. Het nadeel is echter dat zwart een verdediger op de koningsvleugel mist. Omdat de loper op c5 van de zwarte velden is, zijn de zwarte velden in de buurt van de zwarte koningsstelling daarom iets verzwakt. Daarom wordt de aanval gericht op de velden f6 en g7.
Maar hoe? Daartoe moet de g-lijn geopend worden. De opmars van de g-pion alleen is niet voldoende, de pionnenstelling voor de koning is niet verzwakt. Mitkov vindt een elegante oplossing.

 

Voor de volledigheid de complete partijen:

De Activisten

Situatie, stijl en strategie                                                                                5

 

Deze laatste keer van het seizoen zijn de Activisten aan de beurt. Volgens het schema zijn zij intuïtief en concreet, dus een goed gevoel voor de dynamiek van de stelling en goede rekenaars.

 

‘Activisten’ worden bewonderd door de schaakliefhebbers. Dat komt door hun fantasierijke en onderhoudende manier van spelen. Zij spelen vaak briljante partijen met verrassende wendingen. De stijl van de ‘Activisten’ is gedurfd en moedig maar ook riskant. Hun innovatieve ideeën werken niet altijd. Daarom zijn maar weinig Activisten wereldkampioen geworden, alleen Tal en Anand hebben het hoogste bereikt. Maar omdat de tijdslimieten veranderen, het spel sneller wordt, is de kans dat een Activist wereldkampioen wordt wel groter geworden.

 

Activisten zijn inventieve spelers, ze zijn vaak bereid risico’s te nemen en als minder goed bekend staande openingen te spelen.

Een typische Activist is Bronstein. Het verhaal gaat dat hij tijdens de tweede Wereldoorlog naar het front werd gestuurd maar omdat hij heel slecht zag werd hij naar Stalingrad (het huidige Wolgograd) overgeplaatst. Daar had hij de tijd het Koningsgambiet verder te analyseren, een opening waarin hij expert was. Tijdens de voorbereiding op de komende match met de Verenigde Staten in 1946 verbood Botwinnik, als teamcaptain, Bronstein het Koningsgambiet te spelen. Niet zo’n goed idee omdat Bronstein overspeeld werd door Ulvestad en het Koningsgambiet beter bij hem paste dan het Spaans.

Een partij van Bronstein met het Koningsgambiet:

 

Voorbeeldpartij 1: Bronstein – Panov, Moskou 1947

De misschien wel beroemdste Activist is Tal. Zijn partijen spreken tot de verbeelding door zijn schitterende combinaties.

De partijen van Tal zijn bekend, maar zijn stijl is onderwerp van discussie. Was Tal een rekenaar, of een intuïtief genie? Lars Bo Hansen, de schrijver van ‘Foundations of Chess Strategy’, het boek waarop ik dit seizoen de trainingen heb gebaseerd, is van mening dat Tal vooral een intuïtieve speler was. Hij zegt dat Tal natuurlijk een uitstekende rekenaar was, net als alle GM’s, maar naar zijn mening was de gave van Tal vooral dat hij een uitstekend intuïtief gevoel voor het initiatief had en een ongeëvenaard begrip voor wanneer materiaal ingewisseld moest worden voor het initiatief in de aanval.

 

Tal zelf lijkt er anders over te denken. In het hoofdstuk ‘Geständnis eines Rechners’ (‘Bekentenis van een rekenaar’, in: Weltmeister lehren Schach, ed. Jakow Estrin, 1979) geeft Tal een inkijkje in zijn schaakdenken. Tal stelt in dit artikel dat hij zich als een ‘rekenende schaakspeler’ beschouwt. Zijn vaak als geniaal bestempelde combinaties berusten volgens hem op precies en diep rekenwerk. In stellingen zoekt hij naar een oplossing voor het stellingsprobleem die hij dan heel ver en nauwkeurig doorrekent. Dit in tegenstelling tot spelers die niet zoveel rekenen maar vertrouwen op hun stellingsgevoel. Een voorbeeld van zo’n speler is Botwinnik. Tal herinnert zich een gemeenschappelijke analyse waarin hij een stukoffer heeft gebracht. Hij laat Botwinnik een naar zijn mening geforceerde variant zien. Het antwoord van Botwinnik, nadat hij beleefd, dat is het gevoel van Tal, heeft geluisterd, is ontnuchterend: ‘Dat klopt allemaal. Eerst was ik bang voor het stukoffer maar later realiseerde ik me dat ik alleen de torens moest ruilen en de dames op het bord houden.’ Niks rekenen, gewoon stellingsgevoel.

Tal vertelt ook dat hij bijvoorbeeld door Smyslov vaak overspeeld werd, zodat er niets anders overbleef dan te zoeken naar dubieuze tactische ideeën. En soms met succes.

 

Tal was slechts één jaar wereldkampioen. In 1960 verpletterde hij in grootse stijl de regerend wereldkampioen Botwinnik met 12½ – 8½. Het jaar daarna verloor hij de titel weer in de revanchematch (8 – 13). Net als Bronstein was Tal nooit bang om ongebruikelijke openingen te spelen. Zie zijn eerste matchpartij met Botwinnik in 1960:

 

Voorbeeldpartij 2: Tal – Botwinnik, Moskou 1960

Activisten hebben een uitstekend gevoel voor combinaties. Het thema van de schitterende combinatie die Tal in de volgende partij op het bord toverde komt vaak in studies voor.

 

Voorbeeldpartij 3: Tal – Brinck-Clausen, Havana 1966

 

In deze partij verwijst Tal naar een eerdere partij van hem met zwart tegen Polugaevsky.

Partij 4: Polugaevsky – Tal, Tblisi 1956

 

 

Bronnen hele serie: 

  1. Foundations of Chess Strategy
    Applying Business methods to Chess Preparation and Training
    Lars Bo Hansen
    Gambit, 2005
  2. Masters of the Chessboard
    Richard Réti
    ?, 1930
  3. Toernooiboek Jubileum Vierkamp LSG
    Oegstgeest 1970
    Leids Schaakgenootschap, 1970
  4. Psychology in Chess
    Nikolai Krogius
    RHM Press, 1976
  5. The Art of the Middlegame
    Paul Keres en Alexander Kotov
    Penguin Books, 1964
  6. Weltmeister lehren Schach
    Jakow B. Estrin (ed)
    Joachim Beyer Verlag, 1979
  7. Vragenlijst Speelstijl
    Rob Hählen

 

Activisten

Pluspunten

  • Inventieve spelers zijn bereid risico’s te nemen en onconventionele openingen te spelen, vernieuwers.
  • Zijn niet bang dingen die tegen de gevestigde opvattingen ingaan uit te proberen.
  • Ondernemende speelstijl.
  • Niet bang om onconventionele zetten te doen of om risico’s te nemen.
  • Kunnen uitstekend rekenen.
  • Goed gevoel voor het initiatief, bereid daarvoor materiaal te offeren.
  • Lange termijn offers (verschil met pragmatici), het initiatief vasthouden is belangrijker dan materiaal.
  • Goede intuïtie voor de evaluatie van scherpe stellingen, goed gevoel voor combinaties.
  • Tempoverlies bij de tegenstander wordt makkelijk omgezet in een gevaarlijke voorsprong in ontwikkeling.
  • Vallen graag aan, Assault Ratio (zie hierna).
  • Stoppen veel energie in hun partijen vanwege hun ongebruikelijke zetten.
  • Besteden ook aandacht aan de veiligheid van de eigen koning (Kasparov, verschil met pragmatici).
  • Vaak goed in snelschaken.
  • Beter in korte tijdslimiet, daarom is de kans dat in de toekomst een activist wereldkampioen wordt groter.

 

Minpunten

  • Nemen soms te grote risico’s.
  • Gedurfd maar riskant, hun inventieve ideeën kunnen soms niet werken.
  • Spelen minder met vertrouwen wanneer de koning wordt aangevallen.
  • Offers vaak intuïtief.
  • Activisten zijn niet per definitie goed in het technisch verzilveren van een voorsprong, ze geven liever mat.
  • Niet veel activisten hebben de top bereikt: Tal, Anand.

 

Spelen tegen een activist

  • Vertrouw zijn offers niet, reken het goed na.
  • Vermijd tijdnood, zij zijn er beter in.
  • Vermijd complicaties niet per se maar zorg ervoor zelf het initiatief te hebben.

 

Spelers

  • Pillsbury
  • Bronstein
  • Tal
  • Anand
  • Shirov
  • Topalov
  • Morozevitch

 

‘Doeners’

 

 

Assault ratio

 

De ‘Assault Ratio’ geeft de verhouding aan tussen het aantal stukken dat aanvalt en het aantal stukken dat verdedigd.

Oftewel:

 

Assault Ratio = Aantal aanvallende stukken / Aantal verdedigende stukken

 

De verhouding, de ratio, kan vergroot worden door het aantal stukken dat op de koning gericht staat toe  te laten nemen (de teller, de stijl van Tal) of het aantal verdedigende stukken te verminderen, bijvoorbeeld door ze af te leiden met een aanval aan de andere kant van het bord (de noemer, de stijl van Aljechin).

 

De Pragmatici

Situatie, stijl en strategie                                                                                4

 

Na de ‘Beschouwers’ en de ‘Theoretici’ zijn nu de ‘Pragmatici’ aan de beurt. Veel wereldkampioenen zijn in deze categorie onder te brengen.

Een pragmaticus is iemand die kijkt naar de praktische bruikbaarheid, gegeven de omstandigheden. Dat betekent dat de Pragmatici niet perse de beste theoretische denkers zijn, maar wel degenen zijn die kijken hoe de kennis het best te gebruiken is. De dimensies waarop de Pragmaticus sterk scoort zijn logisch denken en concreet, het concreet rekenen op basis van de kenmerken van de stelling. Het zijn doeners, net als de ‘Activisten’.

Pragmatici besluiten op basis van een concrete inschatting van de feitelijkheden van een stelling. Dat betekent dat ze er niet voor terugdeinzen om zetten te doen die er ‘raar’ uitzien als ze er op basis van de kenmerken van de stelling en hun doorrekening van overtuigd zijn dat het de juiste zet is. Korchnoi is bij uitstek zo’n speler, hij speelt zelden dogmatische zetten. Dat zien we in de eerste voorbeeldpartij.

 

Korchnoi – Polugaevsy, kampioenschap USSR, Leningrad 1963.

Het lijdt geen twijfel dat denkers en doeners veel van elkaar kunnen leren. Vooral de Pragmatici zijn heel goed in staat de denkbeelden van de Theoretici tot zich te nemen. Zo zou een match tussen de Theoreticus Botwinnik en de Pragmaticus Fischer zou zeer interessant geweest zijn. Deze match is er bijna gekomen, in 1970 onderhandelden ze over een match van 18 partijen in Leiden. Fischer trok zich op het laatste moment terug en in plaats daarvan werd de fameuze vierkamp tussen Botwinnik, Spassky, Larsen en Donner gehouden.

Uit het toernooiboek:

Toen het bestuur van het Leidsch Schaakgenootschap het besluit nam het 75-jarig bestaan te vieren met een schaakevenement dat in brede kring de aandacht zou kunnen trekken, werd in eerste aanleg gepoogd een tweekamp tot stand te brengen tussen Dr. Ir. M.M. Botwinnik, erelid van het LSG, en de Amerikaan Robert J. Fischer. Op deze weg reeds aanzienlijk gevorderd, traden bij de verdere onderhandelingen helaas toch zodanige verschillen van inzicht aan de dag, dat het bestuur zich genoodzaakt zag zijn koers te wijzigen. Dit resulteerde in een niet minder aantrekkelijke opzet: een meerrondige vierkamp tussen de vooraanstaande grootmeesters, die in Oegstgeest slag hebben geleverd. Zulks naar het historische voorbeeld van de beroemde wedstrijd St. Petersburg 1896, een gebeurtenis die ongeveer samenviel met de oprichting van het LSG.

Spassky won met 7 uit 12, Donner werd tweede met 6 uit 12 met een nul tegen Spassky en een fraaie winst op Larsen. De partij Spassky – Donner behandelde ik in seizoen 2016 – 2017, ‘Ken de Klassieken’. Omdat vooral het slot aardig is geef ik de partij hier nog een keer, zonder de ‘klassieke’ bron van de manoeuvre van Spassky, die is in ‘Ken de Klassieken’ na te spelen.

 

Spassky – Donner, Jubileumvierkamp, Oegstgeest 1970.

Botwinnik en Larsen haalden beiden 5½ uit 12. Het was het laatste officiële toernooi van Botwinnik.

Botwinnik (in 1970 was hij 59) zei later dat hij dacht dat een match over 18 partijen zeker door Fischer gewonnen zou zijn, maar niet nadat Fischer gedurende de match veel geleerd zou hebben. De bereidheid tot leren is nou net een van de meest belangrijke eigenschappen van de Pragmaticus.

 

Een andere kenmerk van de Pragmatici is dat zij meestal evolueren naar universele spelers. Zij onderzoeken veel en behouden het goede. Het zijn spelers die nieuwe ideeën snel in praktische zin kunnen gebruiken. En het zijn zeer goede rekenaars. Dat komt goed van pas in de aanval. Als je wilt begrijpen hoe je een aanval moet opzetten, niet alleen hoe je hem moet uitvoeren, dan moet je de partijen van Aljechin bestuderen. Ook Kasparov blinkt daarin uit.

 

Pragmatici zijn systematisch, objecties en harde werkers. Euwe is een duidelijke pragmaticus, zeer objectief en systematisch. Euwe had een breed en systematisch openingsrepertoire. Zijn valkuil, volgens Krogius in ‘Psychology in Chess’, was dat hij de openingen speelde op basis van hoe goed hij ze vond en hoe diep hij geanalyseerd had (objectieve criteria) maar niet op basis van hoe lastig een bepaalde opening voor een specifieke tegenstander zou zijn (een subjectief criterium). Lasker zei al dat het er niet om gaat de beste zet te spelen, maar de zet die het lastigst is voor je tegenstander. Schaken is nu eenmaal een spel tussen twee spelers met verschillende persoonlijkheden.

Het boek ‘The Art of the Middlegame’ van Keres, ook een systematisch hardwerkende en objectieve Pragmaticus, en Kotov, is een voorbeeld van diepgravende analyses.

 

Kasparov is misschien wel de beste pragmaticus aller tijden. Hij heeft het pragmatisme op een hoger niveau getild. Hij is heel sterk in het doorrekenen van concrete, geforceerde varianten, zijn openingsvoorbereiding is voorbeeldig, hij heeft een uitstekend talent voor de directe koningsaanval en is gedurende zijn hele carrière bereid geweest om bij te leren.

 

Tot slot een partij die heel goed laat zien wat de karakteristieke sterke en de zwakke punten van de Pragmatici zijn.

Nog een keer samengevat: De Pragmatici zijn buitengewoon concreet, ze besluiten op basis van de feitelijk kenmerken van een stelling en rekenen heel precies. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan de openingstheorie en excelleren in scherpe varianten. Zij zijn heel gevaarlijke in de koningsaanval. De beste Pragmatici hebben dit gemeen: vroeg in hun carrière maken zij vorderingen door hun talenten voor scherp spel, goed rekenen en combinaties te gebruiken. Later leren zij nieuwe dingen bij en worden universeler.

Als je tegen een Pragmaticus moet spelen, vermijd dan scherpe varianten, zowel in de opening als later in het midden- en eindspel. Fouten in je berekeningen worden dan genadeloos afgestraft. Streef naar eenvoudige stellingen, waarbij gevoel voor positionele kenmerken gevraagd wordt. Ga voor technische en saaie stellingen. In dat soort stellingen willen Pragmatici nogal eens de weg kwijt raken of besteden ze veel tijd aan niet ter zake doende berekeningen van varianten.

 

Svidler – Anand, Corus, Wijk aan Zee 2004.

 

 

Pragmatici

 

Pluspunten

  • Concrete, op feiten en precieze berekening gebaseerde besluitvorming.
  • Sterke, precieze en gedetailleerde openingsvoorbereiding.
  • De openingstheorie wordt vaak door de pragmatici vooruit geholpen.
  • Ingewikkelde stellingen met precies rekenwerk, excelleren in scherpe varianten waarbij elke zet belangrijk is.
  • Goede aanvallers, vaak directe koningsaanval.
  • Buiten kleine verschillen uit en gaan snel tot de aanval over.
  • Weten hoe een aanval op te zetten.
  • Niet bang om vreemd uitziende zetten te doen als berekening heeft aangetoond dat het goed is. Pg 108
  • Dergelijke zetten zijn vaak verrassend en hebben een psychologisch effect op de tegenstander.
  • Accepteren materiaal als de compensatie voor de tegenstander niet direct duidelijk is.
  • Soms te materialistisch.
  • Herkennen en absorberen nieuwe concepten snel.
  • Bereidheid om te leren.
  • Schuiven van pragmatisch naar universeel.

 

Minpunten

  • Komen soms in saaie of eenvoudige stellingen terecht waar hun rekenvaardigheid er minder toe doet.

 

Spelen tegen een Pragmaticus

  • Vermijd scherpe varianten, zowel in de opening als in het middenspel.
  • Streef naar rustige stellingen waar het positiegevoel belangrijker is dan concreet rekenen.
  • In ‘saaie’ stellingen hebben pragmatici de neiging af te dwalen of veel tijd te verdoen aan het berekenen van niet ter zake doende varianten.

 

Spelers

  • Twee categorieën:
    • De grootste groep: maken gebruik van hun rekenkracht voor aanvallende doeleinden (Aljechin, Keres, Fischer, Kasparov).
    • Gebruik van rekenkracht voor verdedigende doeleinden (Korchnoi).
  • Lasker
  • Aljechin
  • Euwe
  • Spassky
  • Fischer
  • Kasparov
  • Korchnoi
  • Svidler

 

 

‘Doeners’.