Vandaag :
♔ niets op de agenda

Training

Swindelen 1

Alle blunders zijn al op het bord, ze hoeven alleen nog maar gemaakt te worden – Tartakower

De speler die de op-een-na laatste fout maakt, wint. – Tartakower

 

Dit seizoen aandacht voor een onderwerp tot grote vreugde en diepe droefenis kan leiden: de swindel. Hierbij maak ik gebruik van wat er over dit onderwerp is geschreven door diverse auteurs is geschreven. Vooral van de inzichten en voorbeelden van David Smerdon van Andrew Soltis.

 

Wat is een swindel?

Een eerste voorbeeld in drie fragmenten:

 

Het verloop van de partij:

01 Fragment Furman – Smejkal

 

De reactie van Tal:

02 Fragment Furman – Smejkal

 

 

Hoe zwart bijvoorbeeld de partij na 91. Pb3 toch had kunnen winnen:

03 Fragment Furman – Smejkal

 

Een swindel is niet simpelweg het profiteren van een blunder van de tegenstander.

04 Fragment Mammadova – Krumina

Geen swindel.

 

Definities van een swindel

  • Jonathan Rogers (in Kingpin: https://www.kingpinchess.net/2013/09/the-fine-art-of-swindling-defined/
    Wanneer een speler een zet speelt die erop gericht is een fout bij de tegenstander uit te lokken (en daarin slaagt) en die fout maakt een gunstige combinatie mogelijk, dan heeft de speler zijn tegenstander ‘beswindeld’.
  • David Smerdon
    De swindelaar heeft een objectief verloren stelling;
    2. De swindelaar provoceert zijn tegenstander bewust een blunder te begaan, vaak door gebruik te maken van een psychologische eigenschap van de tegenstander;
    3. Het slachtoffer verprutst zijn voordeel, waardoor de swindelaar weg komt met remise of zelf een heel punt.
  • Andrew Soltis
    In een verloren stelling zoek je niet naar de objectief ‘beste’ zet. Zoek naar de zet die tegen een menselijke tegenstander de grootste kans op succes heeft. De swindelaar weet dat een minder forcerende zet een grotere kans heeft op het begaan van een fout omdat het de tegenstander een ruimere keus aan zetten biedt.

 

Het belangrijkste kenmerk van een swindel is dat de swindelaar bewust de tegenstander uitlokt een verkeerde zet te doen, een blunder te maken. Dus niet het simpelweg profiteren van een blunder, daar is geen actie van de swindelaar aan vooraf gegaan.

 

Het doel van een swindel is dus het maximaal vergroten van de kans dat onze tegenstander van vlees en bloed (computers zijn doorgaans niet te beswindelen) zijn stelling verpest.

Lasker zei dat je niet de beste zet hoeft te spelen maar de zet die het lastigst is voor je tegenstander. Soltis haalt dat in feite aan. Of zoals Smerdon het formuleert: De speler moet proberen de beste zet te spelen. Maar dat is niet noodzakelijkerwijs de zet die de computer voorstelt.

 

Smerdon is van mening dat je swindelen kunt leren. En dat is vooral door gebruik te maken van het tweede element van zijn definitie: de psychologische gemoedstoestand van de tegenstander.

  1. Wat zijn de meest voorkomende psychologische instellingen die invloed hebben op spelers?
  2. Wat zijn de belangrijkste eigenschappen en vaardigheden die de swindelaar nodig heeft om gebruik te maken van die instelling?
  3. Hoe voeg je beide samen om handvatten te hebben hoe je het swindelen kunt trainen?

 

Swindel-modus

Wanneer moet je in swindel-modus gaan? Deze vraag is niet zo moeilijk te benatwoorden:

  1. Als je denkt dat je vrijwel zeker gaat verliezen als de partij ‘gewoon’ (zoals de computer aan zou geven) verder gaat is het tijd je instelling te veranderen en naar swindels te gaan kijken.
    Een swindel opzetten is normaal gesproken een gok waarvan de meest waarschijnlijke uitkomst is dat je gaat verliezen. Maar er is een kleine kans dat je tegenstander je de kans geeft de partij te redden. Het is de taak van de swindelaar die kans zo groot mogelijk te maken.
  2. Als je erover denkt de partij op te geven is dat zeker het moment om over een swindel na te gaan denken!

 

Wat dan te doen?

Als het erop aan komt te gaan swindelen moet je niet meer over de beste (computer)zetten na gaan denken. Swindelen ga je immers op het moment dat je verloren staat en normale zetten tot verlies zullen leiden. Om goed te kunnen swindelen is het belangrijk te begrijpen waarom swindels werken  en kennis te hebben van de zwakke plekken van de schaker, een stukje schaakpsychologie.

Soltis onderscheidt drie basisprincipes om de kans op een succesvolle swindel te vergroten:

  1. Zoek uit wat je beste tactische mogelijkheden zijn.
  2. Geef je tegenstander meerdere zetten om uit te kiezen.
  3. Breng je tegenstander in verwarring.

 

Noodzakelijke eigenschappen voor de swindelaar

De belangrijkste mentale eigenschappen die je moet hebben wanneer je in swindel-modus gaat zijn:

  1. Lef;
  2. Optimisme;
  3. Gebruik maken van de drie vragen techniek.

 

Psychologie achter de swindel

Judit Polgar stelt dat schaken 30 tot 40% psychologie is. Fischer gelooft daar niet in: ‘Ik geloof niet in psychologie, ik geloof in goede zetten.’ Teichmann zegt dat schaken 99% tactiek is. Laten we het erop houden dat ze allemaal gelijk hebben.

 

05 Fragment Petrosian – Korchnoi

 

Een voorbeeld van hoe de instelling van de speler kan bijdragen tot het toelaten van een swindel is de partij tussen Petrosian (net wereldkampioen geworden) en Korchnoi in 1963. Petrosian, met wit, zei over de partij dat hij de cruciale zet niet gezien had omdat hij ervan overtuigd was dat de zwarte stelling compleet verloren was. En dat hij, hoe lang hij ook naar de stelling zou kijken, de zet waarschijnlijk ook nooit gezien zou hebben.

 

Gezien mijn achtergrond is psychologie een zeer belangrijke factor in het schaakspel. En zal ik daarvan proberen te profiteren.

Voorbeeld: Als ik weet dat iemand met wit vrijwel altijd een (ongebruikelijke) opening kiest kan ik die tegenstander verrassen en misschien iets uit het evenwicht brengen door met wit zelf die opening te kiezen. Uiteraard met voorbereiding. Het is nu eenmaal moeilijker om ‘tegen jezelf’ te moeten spelen.

Ander voorbeeld: als je weet met welke zet iemand opent kun je die als zwartspeler alvast, vóórdat wit de zet speelt, de zet overduidelijk op je notatiebiljet noteren. Kan bij de witspeler misschien toch de vraag oproepen of de zwartspeler zich grondig heeft voorbereid en wil dat wit de vaste opening speelt. Als wit (daarom) besluit af te wijken is er alvast iets gewonnen.

 

Mentale instelling van de ‘beswindelde’

Een aantal redenen die te maken hebben met waarom iemand valt voor een swindel zijn volgens Soltis:

  1. De beswindelde denkt dat er maar twee resultaten mogelijk zijn: winst of remise. Met de mogelijkheid dat verlies mogelijk is wordt geen rekening gehouden.
  2. De beswindelde wil snel winnen. Oftewel ongeduld, de zwakke plek waar Smerdon uitgebreid op in gaat en hieronder nader wordt bekeken.
  3. De beswindelde houdt alleen rekening met de eigen tactische mogelijkheden en kijkt niet naar die van de tegenstander.
  4. De beswindelde gaat ervan uit dat er als vanzelf vooruitgang wordt geboekt.
  5. De beswindelde gaat op de automatische piloot. Met ‘gewone’, routinematige zetten kan de winst worden binnengehaald.
  6. De beswindelde beoordeelt de stelling verkeerd en mist het gevoel voor gevaar.

 

Vier zwakke plekken

Veel voorkomende gemoedstoestanden waar volgens Smerdon gebruik van gemaakt kan worden om te swindelen zijn:

 

  1. Ongeduld
  2. Overmoedigheid
  3. Angst
  4. Controledwang

 

Deze vier zwakke plekken en hoe de swindelaar daar gebruik van kan maken komen dit seizoen aan de orde. Te beginnen met:

 

  1. ONGEDULD

Hoe vaak heb je niet met een gewonnen stelling achter het bord gezeten terwijl je half suffende tegenstander weigert om op te geven? Je denkt dat hij niet alleen jouw tijd verspilt maar ook de zijne. Dan doet hij een zet, ongeduldig doe je de tegenzet en wacht weer op zijn opgave. Hij sukkelt weer in, je ergernis neemt toe. De beste instelling om beswindelt te worden! De wens om een partij zo snel mogelijk uit te maken is misschien wel de meest voorkomende oorzaak om een partij niet te winnen.

De speler die ‘leidt’ aan ongeduld is gevoelig voor zetten die de winst lijken te versnellen. De swindelaar zoekt naar een mogelijkheid om daarvan te profiteren. Een zet die schijnbaar de winst kan versnellen. Voor de ongeduldige speler vaak een grote verleiding.

Smerdon noemt zo’n zet, om de tegenstander te verleiden een fout te maken, een Trojaans Paard.

 

06 Fragment Boldman – Siniavsky

Wit staat beroerd. Zwart zou graag de dames afruilen om het pionneneindspel te winnen. Welke zet geeft zwart de gelegenheid om snel af te kunnen wikkelen maar geeft juist wit een kans?

 

07 Fragment Pilnik – Reshevsky

In dit fragment is het voorspel, de opzet van de swindel, het meest interessant. Bied je tegenstanders een bedrieglijke weg naar een snelle winst en het kan gebeuren dat ze van het juiste pad afwijken. Reshevsky zocht ongeduldig naar een snelle oplossing. Maar dat kan ertoe leiden dat je juist de complicaties opzoekt, met alle risico’s van dien,  in plaats van vast te houden aan een eenvoudige weg naar de winst.

 

08 Fragment Jansa – Bonelli

In deze partij geeft wit in een verloren stelling zijn tegenstander de kans het schijnbaar snel uit te maken.

De ballen van Karpov

De Prinsessen van het schaakbord

De titel boven dit artikel op de website komt niet overeen met de eigenlijke titel van dit stuk. Die moet zijn: ‘De Prinsessen van het Schaakbord’. Maar hopelijk heeft de titel u nieuwsgierig genoeg gemaakt om verder te lezen!

De titel op de website verwijst naar de training dit seizoen over de lopers (19 december 2019). Daarin bekeken we de mogelijkheden en onmogelijkheden van de lopers. Karpov vergeleek lopers met biljartballen. Ze ketsen terug van de randen van het bord. De tekst van die training en die van de eerdere trainingen van dit seizoen zijn nu (eindelijk) in het besloten deel te vinden

Vandaag, 30 april, zouden we de laatste drie rondes van de rapidcompetitie spelen met voorafgaand de laatste training van dit seizoen. Gezien de bijzondere omstandigheden plaats ik deze keer het materiaal van de training niet alleen in het besloten deel van de website maar ook openbaar.

De Prinsessen van het schaakbord zijn natuurlijk de dames. Zij zijn de meest mobiele stukken op het bord en dat maakt hen zo uniek. Het maakt doorgaans niet zoveel uit op welk veld ze staan omdat ze zich heel snel van het ene deel van het bord naar het andere kunnen verplaatsen. Een voorbeeld:

 

Fragment 1
Jan Markos – Alexander Beliavsky, Plovdiv 2008.

De witte dame staat op een relatief bescheiden veld. Omdat de zwarte koningsvleugel verzwakt is wil wit de dame overbrengen. Daarvoor is het nodig te zien dat een achterwaartse zet (zie hiervoor de training van 2017-04-13 over ‘Onzichtbare zetten’) geboden is.

 

Fragment 2
David Varga – Jan Markos, Banska Stiavnica 2012

Omdat dames zo snel zijn is het niet nodig ze al in een vroeg stadium in het spel te brengen. Ze kunnen anders opgejaagd worden door stukken van een mindere waarde. Maar als de dame al snel op avontuur wordt gestuurd kan het ook zo zijn dat ze gemist wordt in de eigen gelederen.

 

Fragment 3
Peter Velicka – Jan Markos, Czech Republic 2015

De dames zijn veruit de meest waardevolle stukken op het bord. Dat maakt ze kwetsbaar, daarom zijn het slechte verdedigers. Als je dame te gemakkelijk gebruikt voor de verdediging is dat, zoals Markos schrijft, net zoiets als je fiets vastzetten met een stevig kettingslot van goud. Je fiets is niet echt beschermd en je slot ben je ook kwijt.
Vaak is het zo dat wanneer een dame gebruikt wordt in de verdediging het de zaken alleen maar slechter maakt. De dame kan zelf doelwit worden voor een aanval. Dat levert de tegenstander extra tempi op.

 

Fragment 4
Garry Kasparov – Josef Pribyl, Skara 1980

Dames zijn dus slechte verdedigers, maar briljante aanvallers. Het liefst hebben ze de vrije ruimte. Dan vallen ze ongedekte doelen aan en worden ze de echte heersers van het bord.
Als je aanvalt met de dame is het belangrijk rustig alle zetten, een voor een, te berekenen. Omdat de dame zo vreselijk mobiel is kan het, als je niet heel precies rekent, makkelijk gebeuren dat je een beslissende zet over het hoofd ziet. Een klassiek voorbeeld:

 

Fragment 5
Magnus Carlsen – Sergey Karjakinn, Bilbao 2016

Wanneer is het verstandig om dames te ruilen, en wanneer juist niet? Met de andere stukken ligt dat eenvoudiger: als mijn stuk slechter is dan dat van mijn tegenstander ruil ik af. Is mijn stuk beter, dan niet.
Het probleem bij de dames is dat het, door hun mobiliteit, niet zo makkelijk is een keuze te maken. Op het ene moment is mijn dame sterker, vlak daarna juist die van mijn tegenstander. Andere factoren moeten dus in ogenschouw genomen worden.
We weten al dat de dame een goede aanvaller is maar een slechte verdediger. Het beste aanvalsdoel is natuurlijk de koning. Dus als mijn koning veiliger staat dan die van mijn tegenstander zal ik afruil vermijden. Ik heb dan het voordeel van de aanvallende dame versus de verdedigende dame.

 

Fragment 6
Markus Ragger – Jan Markos, Tromso (ol) 2014

Als het bord nog vol is met lichte stukken moeten de dames oppassen en goed op zichzelf passen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat ze lui achterover kunnen hangen. De dame is uitermate geschikt om samen met een loper of toren een batterij te maken. Meestal achter de loper of toren, soms juist ervoor om voor extra dreiging te zorgen.

 

Samengevat
1. Dames zijn goed in de aanval en verdedigen niet graag.
2. Dames hebben ruimte en ongedekte stukken nodig om te kunnen aanvallen. Daarom moet de aanval voorbereid worden door lichtere stukken.
3. Dames zijn veel waard, op een vol bord kunnen ze makkelijk door stukken met een mindere waarde worden aangevallen. Daarom moeten ze zich in de opening en vroege middenspel iets meer op de achtergrond houden.
4. Bij afruil van de dames moeten we kijken naar de veiligheid van de koning. Is de eigen koning kwetsbaar dan is afruilen een goed idee.
5. Dames zijn de echte prinsessen van het schaakbord: kostbaar, uniek en te elegant voor het vuile werk.

 

De voornaamste bron voor de trainingen van dit seizoen is het boek ‘Under the Surface’ van Jan Markos (Quality Chess, 2018).
Een heerlijk boek, niet in de laatste plaats door de amusante manier van schrijven.

 

Toegift
Fragment 7
Nigel Short – Jan Timman, Tilburg 1991

Omdat ik nu niet aan een tijdslimiet ben gebonden nog een, bekende, toegift over de kracht van de koning.
De opmerkingen zijn van Jonathan Rowson in ‘The Seven Deadly Chess Sins’. Hij bespreekt in dat boek onder andere de rol van humor in het schaken. Volgens Miles is ‘een verwrongen gevoel voor humor misschien wel de belangrijkste eigenschap die een schaker moet hebben’. Rowson haalt ook Krogius aan die suggereert dat ‘je je moet trainen in het vinden van paradoxale situaties, naar uitzonderingen op de regels moet zoeken’. Om Rowson aan te halen: ‘Dus beweer ik nu dat schaken pre-verbale humor is en dat alle schakers gefrustreerde comedians zijn? Voor een deel wel, maar ik ben ervan overtuigd dat dat wanneer je ernaar streeft de grappige kanten van het schaken te zien je wel degelijk je blik verruimt.’ Hoe vaak zeggen we bij een na-analyse niet dat een stelling wel grappig is, dat iets een leuke zet is?!
Gedachtes om eens goed voor te gaan zitten en te overdenken!

Rechttoe rechtaan

Na de lopers en de paarden zijn nu de torens aan de beurt. De bekendste kenmerken van een toren zijn dat hij achter de vrijpion moet staan, goed tot zijn recht komt op een open lijn en op de zevende (tweede) rij dood en verderf kan zaaien. In tegenstelling tot de lopers en de paarden komen torens pas laat in het spel.

Torens zijn de enige stukken die niet persé gecentraliseerd hoeven te worden om zoveel mogelijk velden te bestrijken. Het maakt niet uit of de toren op een leeg bord op e5 staat of op h1. Jan Markos in ‘Under the Surface’ geeft een interessant staatje:

  Aantal velden onder controle vanaf centrumveld Aantal velden onder controle vanaf hoekveld Ratio
centrumveld – hoekveld
Koning 8 3 2,67
Dame 27 21 1,29
Toren 14 14 1,00
Loper 13 7 1,86
Paard 8 2 4,00

Hoe hoger de ratio, hoe belangrijker is dat het stuk wordt gecentraliseerd. Het paard staat dus het beste in het centrum, daarvandaan bestrijkt het de meeste velden.
Uit de tabel blijkt dat het voor een toren niet uitmaakt waar het staat, hij controleert vanaf de hoek of vanuit het centrum op een leeg bord precies evenveel velden. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat torens de ideale stukken zijn om vanaf de randen van het bord te spelen.
Torens zijn ideale aanvalsstukken. Ze kunnen de pionnenstructuur van de tegenstander onder druk zetten omdat ze van afstand werken. Maar ook zijn ze sterk wanneer ze in het vijandelijke kamp zijn binnengedrongen. Een toren op de achterste rij is vaak dodelijk, een toren op de zevende rij heeft heel wat pionnen te verorberen.

Een voorbeeld van hoe de torens via de rand van het bord binnen kunnen vallen:

1. Alexander Motylev – Jan Markos, Plovdiv 2008

In deze stelling staat zwart iets minder. De stelling is gesloten maar wit heeft al zijn lichte stukken op de koningsstelling van zwart gericht. Zwart besluit daarom zijn loperpaar op te geven, dat is in een gesloten stelling toch niet zoveel waard. Maar daardoor wordt de h-lijn geopend en wordt een ideale toegangsweg voor de zware witte stukken.
Uit deze partij blijkt dat gesloten stellingen minder gesloten kunnen zijn dan ze lijken. Een passieve verdediging is geen goed idee. En is duidelijk dat de torens aan de randen van het bord uitermate effectief kunnen opereren.

 

Een tweede voorbeeld met de torens aan de rand:

2. Wei Yi – David Navara, Wijk aan Zee 2016

Ook in deze partij lijkt de koningsstelling voldoende geblokkeerd maar dat is ook hier schijn. Een ogenschijnlijk kleine verzwakking wordt zwart fataal. Met een offer verschaft wit zich toegang en spelen de torens op de g- en h-lijn een cruciale rol.

 

Kenmerken van de toren
De toren is het stuk dat het meest wordt gehinderd door de pionnenstructuur, het is het enige stuk dat niet makkelijk door gaatjes heen kan slippen. Een toren heeft open lijnen nodig. Het is dus belangrijk verzwakking in de pionnenstructuur van de tegenstander uit te lokken. Omdat de pionnenstructuur een relatief stabiel element is kan zo’n verzwakking kan pas zetten later nuttig blijken.
Daarnaast is een toren een prima verdediger voor de basis van je stelling. De achterste twee rijen zijn de Achilleshiel, die rijen kunnen immers niet verdedigd worden door pionnen. Daarom nemen de torens de verdedigende taak op zich.

In de opening en het vroege middenspel zijn torenruilen zeldzaam. En dat betekent dat toreneindspelen verreweg het vaakst voorkomen! Toreneindspelen komen drie keer zo veel voor als het tweede meest voorkomende eindspel, dat van een paard tegen een loper.

De combinatie van de verdedigende taak van de toren en het probleem hoe uit de pionnenstructuur te breken betekent dat het voor dit stuk in de opening en middenspel moeilijk is zich volop in de strijd te mengen. Als je erin slaagt de aanvallende en verdedigende kracht van je torens al in een vroeg stadium weet te combineren levert dat vaak een belangrijk voordeel op. Een aantrekkelijke manier om de toren te activeren is om hem voor de pionnenstelling te zetten, de zogenaamde toren-lift. Vaak gaat dat via de derde rij om de koningsaanval te ondersteunen (bijv. Te1-e3-h3).

Torens kunnen uitstekend vanaf de flank de koningsstelling verdedigen en tegelijk de aanvallende functie behouden. Een toren op a7 bijvoorbeeld verdedigt f7 maar maakt ook de weg vrij voor een verdubbeling over de a-lijn.

Torens zijn het best geschikt om een batterij te maken. Twee torens en de dame is de enige batterij die uit drie stukken bestaat. Een toren achter een (vrij)pion is ook te beschouwen als een batterij omdat de kracht van twee stukken die in dezelfde richting werken wordt versterkt. Een belangrijk kenmerk is verder dat twee torens in een batterij elkaar dekken. Niet verbonden torens zijn zwakker en meer kwetsbaarder.

 

Beoordeling van de stelling, ontstaan uit het Spaans, de Berlijnse Muur:

 

De volgende partij is er een met een voorbeeld van het belang van het verbinden van de torens. Het lijkt erop alsof zwart alles goed doet: hij valt de verzwakte structuur aan met behulp van de toren op de a-lijn. Maar So onderschatte het belang van de samenwerking tussen zijn torens.

 

3. Magnus Carlsen – Wesley So, Bilbao 2016

In de eindstelling staat zwart een pion voor, heeft de betere pionnenstructuur en het loperpaar. Maar dat is allemaal niet belangrijk. Zwart is er niet in geslaagd zijn torens te verbinden en kan daarom het beslissende binnendringen van wit over de d-lijn niet verhinderen.

 

Vier punten om te onthouden
* Het maakt voor de toren niet veel uit of ze aan de rand of in het centrum staan. Maar in vergelijking met andere stukken zijn zij bijzonder geschikt om vanaf de randen van het bord opereren.
* Torens hebben in de opening en het vroege middenspel vaak weinig te doen. Als dat wel lukt hebben de andere stukken meer vrijheid gekregen.
* De activiteit van de toren hangt af van de pionnenstructuur. Door zwaktes uit te lokken hebben zij in een later stadium werk te doen.
* Verbonden torens zijn veel effectiever dan wanneer ze niet verbonden zijn.

Met zonder paarden

Met paarden
Paarden zijn moeilijker om mee te spelen dan lopers. Lopers zijn rationeler. Hun bewegingen doen denken aan een lijn die langs een liniaal wordt getrokken of aan een snelweg die door een kaal landschap loopt.
Een paard daarentegen heeft iets dierlijks en onvoorspelbaars, ook op het schaakbord. Beginnende schakers kunnen met een blik zien of er sprake is van ongelijke lopers en snappen snel wat een ‘slechte loper’ is. Paarden zijn minder makkelijk te doorgronden.

1. Studie Chéron

Wit wint, ook al is de witte koning ver weg en hoeft zwart alleen maar zijn paard voor de witte h-pion te geven om remise te maken.

Wat kunnen we hieruit leren?
1. Ten eerste dat wanneer een paard ergens op het bord wordt vastgezet het niet alleen minder actief is maar ook andere stukken kan hinderen en kwetsbaar is.
2. Ten tweede dat een paard niet alleen moeite heeft zich snel over langere afstanden te verplaatsten maar ook moeite heeft met korte afstanden. Bij een paard is het dus van groter belang op welk veld het staat dan bij een loper. Het is niet genoeg alleen maar op dat deel van het bord te staan waar ‘het allemaal gebeurt’, het precieze veld is belangrijk.

In leerboeken die over strategie gaan en in het bijzonder over paarden lees je vaak dat een paard houdt van gesloten stellingen. Maar daar is wel iets op af te dingen. Als een paard opgesloten is binnen een compacte pionnenstructuur heeft het even weinig plezier als een kip in een legbatterij.

Het spel met het paard lijkt op autorijden. De situatie in het probleem van Chéron met de zwarte stukken machteloos in de buurt van de witte h-pion is net zoiets als iets te veraf staan van het apparaat waar je het parkeerkaartje in moet als je de parkeergarage uit wilt rijden. Je hebt kilometers gereden maar bent niet in staat je auto 20 centimeter naar de zijkant op te schuiven. De moeizame weg van een paard naar een veld vlakbij doet denken aan inparkeren op een klein plekje: metertje vooruit, schakelen, stuurwiel draaien, stukje achteruit, schakelen, stuur draaien, stukje vooruit, en zo maar door tot je eindelijk ingeparkeerd bent. Zelfs de L-vormige bewegingen van de auto bij het inparkeren doen denken aan die van het paard.

 

2. Kasparov – Shirov, Horgen 1994

In de stelling na de 13e zet van wit ‘reed’ het paard van Shirov net zo, maar Kasparov liet hem de rit niet afmaken. Het zwarte paard kwam volledig buitenspel te staan.

Een interessant leerpunt is dat bij paarden de afstand tussen ‘twee velden diagonaal’ visueel niet erg groot is. In zetten gerekend is het juist wel de langste afstand. Van b7 naar d5 kost vier (!) zetten. Dat is net zo veel als van a1 naar g7.

Het verschil in kracht tussen twee paarden die in elkaars nabijheid staan kan nog groter worden als een koning in de buurt is.
Een aanvallend paard in de buurt van een koning is een gevaarlijk stuk, niet in de laatste plaats vanwege de mogelijkheid een vork te geven. Daar staat tegenover dat het een slechte verdediger is: het kan de koning in de weg staan, het kan zich niet makkelijk terugtrekken op een veilige plek maar vooral is een zwakte dat het geen velden in zijn onmiddellijke omgeving dekt.
Het paard leidt zijn eigen leven. In het ecosysteem van het schaakbord heeft het geen natuurlijke vijanden en hoeft roofdieren niet te vrezen, zoals een dame dat wel moet. Maar er is één strategisch aspect van een stelling dat een allesbepalende invloed heeft op het leven van een paard. Dat is uiteraard de pionnenstructuur.

Als de pionnenstructuur van de tegenstander compact is kan dat het leven van een paard frustreren omdat veel goed velden worden weggepakt. Daarom houdt het paard van stellingen met zwakke pionnen of een verbrokkelde pionnenstructuur. Ze kunnen de verzwakte pionnenstructuur prima aanvallen of de eigen gebroken structuur repareren.

 

3. Laurent – Renet, Frankrijk 2000

Deze partij is heel instructief.
Allereerst laat wit, door een onzorgvuldig pseudoactief plan, toe dat zijn pionnenstructuur verder verzwakt wordt. Wit wint weliswaar een pion maar loopt een achterstand in ontwikkeling op.
Zwart trekt zich tijdelijk terug maar komt sterk terug. De witte structuur is zo verzwakt dat zwart gemakkelijk werk vindt voor zijn twee paarden.
De partij eindigt met een directe mataanval en laat de geringe overlevingskansen van een koning zien als die onder de hoeven van een span paarden komt.

 

4. Radjabov – Svidler, Bakoe 2015

In deze partij is te zien hoe het paard tegenspel biedt aan een toren.

 

Zonder paarden
Nu we gezien hebben waartoe paarden in staat zijn is het ook interessant om het over hen te hebben zonder dat ze op het bord staan. Dat maakt inzichtelijk hoe het spel verandert als er geen paarden zijn. Dat lijkt vergezocht maar we zeggen vaak dat we de waarde van dingen pas beseffen als we ze kwijt zijn.

Paarden gaan op een speciale manier. Koningen. dames, lopers en zelfs pionnen kunnen diagonaal gaan. De koningen, dames, torens en pionnen gaan recht. Maar geen enkel ander stuk gaat zoals een paard, diagonaal en recht in een en dezelfde zet.

Wat gebeurt er als de paarden van het bord zijn? Over het algemeen gaat het spel dan sneller. Paarden zijn relatief langzame beesten, dus als zij van het bord verdwenen zijn neemt de gemiddelde snelheid op het bord toe.

 

5. Atalik – Shinkevich, 2013

Het spel zonder paarden is dus sneller, vol met spanningspunten en doorbraken, zwakke velden hebben minder betekenis.
Maar wat doen ze dan eigenlijk op het bord?
Het aardige is nou juist dat het spel vertraagd wordt. Paarden maken het spel subtieler. Ze zijn goed in het uitbuiten van kleine dingen zoals zwakke velden.

Onduidelijk is of paarden de aanwezigheid van vrijpionnen versterken of niet. Aan de ene kant is het paard de beste vriend van een vrijpion en kan het de opmars effectief ondersteunen. Aan de andere kant is het een uitstekend blokkadestuk. Alles hangt af van de specifieke kenmerken van de stelling. Zoals dat voor elke vuistregel in het schaken geldt.

De Biljartballen

De komende vier keer zal ik nader ingaan op de stukken en hun eigenschappen. Allereerst is de loper aan de beurt.

Jan Markos in ‘Under the Surface’, zoals gezegd mijn voornaamste bron dit seizoen, schrijft dat het niet zo makkelijk is te weten te komen hoe de top-grootmeesters over het spel denken. Hij wijt dat enerzijds aan het feit dat zij hun keuze over wat te doen in een bepaalde stelling intuïtief maken. Het is immers niet eenvoudig om aan iemand anders uit te leggen wat voor jou vanzelfsprekend is. Anderzijds worden de meeste aantekeningen bij schaakpartijen tegenwoordig snel gemaakt en zijn meest gebaseerd op computeranalyses dan heldere uitleg in woorden.

Waar je veel van leert zijn boeken van grootmeesters waarin zij met veel woorden partijen uitleggen. Het klassieke voorbeeld is het toernooiboek van Bronstein over Zürich 1953, een moderner voorbeeld is ‘Positional Decision Making in Chess’ van Gelfand. Daarnaast is zijn aanbeveling om op internet naar de uitleg van topspelers te kijken direct na afloop van een partij.

De inspiratie voor Markos om diepgaander de mogelijkheden, of beter een specifieke onmogelijkheid, van de loper te onderzoeken is een opmerking van Karpov, die zei dat lopers net biljartballen zijn. Ze ketsen terug van de randen van het bord.
Dat betekent dat er voor een loper geen directe weg is van de ene flank naar de andere. Lopers moeten ergens van koers veranderen, ze moeten afbuigen. De dame of een toren kan wel snel van de ene flank naar de andere, een paard doet er iets langer over maar heeft het voordeel dat het over stukken heen kan springen.

Diagram 1.

Bijvoorbeeld: Een witte loper die op h4 staat kan heeft minimaal twee zetten nodig om naar c3 te gaan.
Dat kan op twee manieren: via e1 of via f6. In het eerste geval betekent dat dat de loper door de eigen stelling heen moet, maar dat kan belemmerd worden door een pion op f2, of een toren op e1. De eigen stukken staan in de weg. In het tweede geval moet de loper via de vijandelijke stelling en dan kan f6 gedekt zijn door een pion op g7.
Het kan dus moeilijk zijn om de loper op de juiste plek te krijgen. Daarom is het belangrijk van tevoren goed te weten waar de loper hoort.

 

Vorige keer bespraken we dat een stuk vanuit drie perspectieven bekeken moet worden:
1. Als een actief gebruiksvoorwerp dat we kunnen gebruiken om ons doel te bereiken.
2. Als een kwetsbaar en waardevol wezen dat steeds onze zorg en aandacht nodig heeft.
3. Als een ‘dood stuk hout’ dat anderen in de weg staat.
Als we een verkeerd geposteerde loper op deze criteria bekijken dan is de loper geen actief stuk dat doelgericht gebruikt kan worden, het heeft wel aandacht nodig maar daarvoor kan de tijd ontbreken. Daarom is een loper die op de verkeerde vleugel staat meer te beschouwen als een dood stuk hout.

Partij 1.
In deze partij tussen Pirc en Aljechin offert zwart in de opening een pion voor een voorsprong in ontwikkeling. De witte dame staat kwetsbaar en zal nog een tempo moeten verliezen. Wit moet kiezen hoe hij gaat ontwikkelen.
Het commentaar is van Jan Markos.

 

Partij 2.
Carlsen speelt n dit tweede voorbeeld een strategisch fraaie partij. De rode draad in is het onvermogen van de zwarte loper van de zwarte velden om van de ene kant van het bord naar de andere te komen. Carlsen verhindert dat stelselmatig.
In Chessbase is deze partij becommentarieerd door R. Edouard. De commentaren van Markos, specifiek gericht op het thema, heb ik toegevoegd.

 

Partij 3.
In deze partij is het kwaliteitsoffer op de 32e zet van zwart alleen maar mogelijk omdat de witte loper op g3 geen mogelijkheid heeft om op de damevleugel de verdediging bij te staan.